Terug op de boot: naar Dover
Na een korte nacht vertrekken we om 05:40 uit de haven, om met het staartje van de ebstroom het slijkgat uit te kunnen varen. Het is droog, maar daar is het wel mee gezegd. Toch beter dan vannacht, toen we de regen regelmatig op het dek hoorden. De sluis draait vrijwel direct voor ons en een andere boot. Vijf minuten over zes zijn we buiten, op een windstil Slijkgat. De verwachting is dat er pas tegen de avond wind komt, dus we motoren naar het zuiden. Er staat geen wind, maar er is nog wel veel deining. 1 meter hoog zegt de NAVTEX, dat klopt wel zo op het oog. De boot schommelt vervelend.
Onderweg zien we veel mooie luchten en af en toe een vissersboot, altijd gevolgd door veel meeuwen. We komen ook een zeilboot met AIS tegen die echt van de rust geniet: onder vol zeil door de stroom toch achteruit varen. Het zag er gek uit op de AIS: het pijltje en de richting van de boeg klopten niet.. Bij Walcheren kruisen we de beroepsvaart, eerst de schepen die naar het noorden varen via Westkapelle, en een paar uur later de schepen in de Scheldemond richting het zuiden. Voor de Scheldemond vallen ook een aantal boten op die rondjes varen: oefeningen van de marine.
Eenmaal in de buurt van Nieuwpoort besluiten we dat de dag lang genoeg is geweest, en koersen we aan op de haven. Vlak voor 4 uur liggen
we in de box. Het is tenslotte vakantie. 's Avonds verken ik Nieuwpoort nog even op de nieuwe fietsjes; we waren al wel een paar keer in de haven
geweest maar nooit in het plaatsje zelf. We maken een lange nacht, en plannen de volgende dag op het gemak naar Dover te varen.
Nieuwpoort - Dover is ongeveer 55 mijl, net te lang om een tij te varen. We vertrekken tegen elven, als de stroom nog stevig naar het noorden staat. Er staat 12 knopen wind, genoeg om ons over de grond toch nog 5 knopen te geven. Helaas valt de wind na 2 uur zeilen terug naar 8 knopen, we gaan dan nog 3 knopen over de grond. Dat is niet genoeg. Een voor een zetten de boten voor ons de motor aan, en dat doen wij ook. Met het zeil bij lijkt het net echt. Naarmate we verder zuidelijk komen valt de wind helemaal weg; in het Kanaal is het windstil.
Ook belangrijk: de lucht is daar strak blauw, we zien voor het eerste in dagen weer echt blauwe lucht.
De oversteek zelf is heel rustig, behalve de veerboten is er weinig vaart in het kanaal
als wij oversteken.
Als we 's avonds in Dover binnenlopen is de "tidal harbour" vol, maar het "Granville Dock" gaat snel daarna open.
We krijgen een box toegewezen over de VHF. In windstil weer is het makkelijk invaren.
Als we binnenvaren zien we de "Next" uit Stellendam bij de wachtende jachten. Kleine wereld.
In de haven hebben we een mooi uitzicht op het kasteel van Dover. Het blijft een indrukwekkend complex. Vorig jaar hebben we het bezocht, dat was zeker de moeite waard.
We laten Dover verder voor wat het is, en gaan de volgende middag net na de vloed richting Rye. Eigenlijk hadden we 's ochtends vroeg willen vertrekken, maar omdat het Granville Dock met laag water dicht is, kan dat niet.
We hebben 12 - 15 knopen wind mee en de zee is heel rustig, geen deining deze keer, en ook geen andere scheepvaart.
Mooi weer om eens wat te spelen met de nieuwe spinnakerboom. Op 160 graden voor de wind wordt de genua een stuk rustiger met de boom.
Als we de boom zetten met de genuaval, trekt de val nogal in de reling. Met een lijn van de parasailor buiten de verstaging om gaat het veel beter.
We kunnen de boom dan verder uittrekken en zetten. Je moet alles leren. Na anderhalf uur langs de kust varen voorbij Folkestone halen
we de spinnakerboom weer binnen om meer aan de wind kaap Dungeness te kunnen ronden.
Rye is de eerste droogvalhaven die we aandoen. Bij het aanmeren kijken we de kunst van de andere boten af:
lange kruisende lijnen die met laag water min of meer
strak staan. Als we de volgende ochtend wakker zijn, kunnen we zien hoe we terecht zijn gekomen: keurig recht in de modder naast de kade. Toch wel
makkelijk dat we geen kiel hebben. Als de havenmeester om half tien langs komt om ons in te schrijven, vindt hij dat we erg netjes aan de kade liggen. Hij heeft ook de nodige tips over wat we
kunnen doen in Rye. En leuke verhalen over de Engelse neiging om oude schepen op te knappen in lange projecten die vaak niet worden afgerond.
Rye is inderdaad een oud mooi stadje. We struinen door het stadje en beklimmen de kerktoren van St. Mary's Church. Vanaf de toren
heb je uitzicht over de hele omgeving, inclusief de River Rother waarover we gisteren Rye zijn binnengevaren. Indrukwekkend zijn ook de
klokken van de toren. Het is allemaal al heel oud; de klokken zijn in 1377 door de Fransen geroofd en een paar jaar later door de Engelsen in
Frankrijk weer teruggehaald in een counter-attack.
Na een rondje centrum te voet pakken we de fietsjes voor een tochtje door de omgeving: een rondje via Rye Harbour Nature Reserve naar Winchelsea,
zo'n 15 kilometer waarschijnlijk. De fietsjes zijn echt een aanwinst voor ons, je kunt veel meer zien. Het Rye Harbour Nature Reserve is een
typisch modern natuurontwikkelings project zoals je ze ook in Nederland hebt: hoogteverschillen, watertjes, veel hekwerken,
kortom het lijkt net een soort tuin, inderdaad een beetje groter, maar wel allemaal keurig aangeharkt.
In de sluis liggen drijvende steigers, zodat je je goed kunt vastmaken. Dat is ook wel nodig. Als we aankomen is het laag water, we moeten
4 meter omhoog. Dat doen ze door de sluisdeuren een beetje open te zetten, zodat het water van bovenaf binnenstroomt. Het is een spectaculair
gezicht en het geeft flink stroming in de sluis. Het advies om bij laag water een springetje te zetten was wel terecht! In de sluis krijgen we
een box toegewezen, dicht bij de ingang van de haven. In de haven is het een paar graden warmer dan buiten.
's Middags varen we verder richting Brighton. Het is een echte warme zomerdag, ook op het water. We doen ons best met de zeilen, inclusief
de spinnakerboom voluit, maar met 3 - 5 knopen wind kun je niet veel verwachten. Dankzij de stroom lopen we 3 a 4 knopen.
We genieten van de zon en ronden Beachy Head op het zeil, en we laten ons ook langs de Seven Sisters drijven. Het is niet helemaal duidelijk waarom
het Seven Sisters zijn, er zijn toch echt 8 toppen. Waarschijnlijk was een van de toppen niet hoog genoeg.
Tegen 5 uur moeten we nog 10 mijl
naar Brighton, het is vrijwel windstil, en de stroom staat op het punt om te keren. Het moment om het laatste stuk op de motor te doen. Om zes
uur 's avonds motoren we Brighton binnen. Wij krijgen de kop van steiger 9 (het 'hammerhead'), direct bij de ingang van de haven.
Brighton heeft in de gidsjes de naam van een mondaine haven, en de stad Brighton is dat wel, maar de jachthaven is vooral groot en oogt
als vergane glorie. Misschien tijd om de gidsjes weer eens aan te passen; Eastbourne is nu echt de mooiere haven, Brighton de mooiere stad.
Heel praktisch van Brighton is dat er een hele grote ASDA supermarkt vlakbij de haven is, met een heel groot assortiment.
De stad heeft een groot winkelgebied met voor elk wat wils, en ook een mooi park met musea rond het Royal Pavillion.
Leuk was ook de
Onderweg is het een klein beetje nevelig, waardoor de wereld net iets minder groot lijkt. Samen met de absoluut vlakke zee geeft dat een haast
surrealistische ervaring. Zeker als je dan -- met dank aan de plotter -- na bijna 4 uur varen door het niks precies bij de boeitjes uitkomt waar
je via de Looe tussen de zandbanken door de Solent op moet varen.
De techniek heeft het allemaal toch wel veel makkelijker gemaakt dan vroeger.
De enige uitdaging nu is om niet over de boeitjes van de vissers heen te varen.
De volgende ochtend varen we verder naar Bosham, een stadje aan een van de kreken. Volgens de gidsjes 'delightfully unspoiled'. We bellen even met de havenmeester, die ons graag ziet
droogvallen aan zijn kade, we kunnen er zeker 2 uur rond hoogwater naar toe. Boeien zijn er helaas niet beschikbaar. Naar Bosham is een kleine
5 mijl varen door de kreken van de Chichester Harbour.
Het is zonnig en warm, en er staat een zwakke zuidwesten wind. We varen op de genua naar Bosham,
met af en toe een beetje hulp van de motor om niet op de zandbanken geduwd te worden. Onderweg komen we een aantal wedstrijden tegen met kleine
zeilbootjes en meestal evenzoveel volgers en supporters. Het is heel druk op het water, een beetje zoals het Veerse Meer op een mooie dag.
Bij Bosham staat er inderdaad veel water bij de kade, het
helpt ook dat het springtij is. Op het hoogste punt van de vloed hebben we bijna 3 meter water. We leggen aan. De havenmeester (quaymaster) is
weg voor de lunch, dus we doen ook eerst een rondje door het dorpje. Het is inderdaad een leuk plekje, met een kerk, een pub en een ijsco kar.
Er is ook een local crafts en arts huis, met daarin een heleboel kleine winkeltjes van plaatselijke kunstenaars.
Na het dinghy tochtje draaien we de boot en proberen we alle lijnen goed te krijgen om te kunnen droogvallen. Dat is nog een hele
klus, ook het draaien zelf. Maar uiteindelijk liggen we keurig naast de kade bij de trap, zodat we ook van boord kunnen. 's Avonds gaan we wat
eten in de plaatselijke pub Anchor Blue. Met zonsondergang lopen we terug naar de boot.
Terug op de boot wacht een nare verrassing: zout water op en onder de vloer. Het lekt uit de pijp waar de hijslijnen voor de hefkiel door lopen, door de wijnkast,
onder de kastjes bij de zwaardkast door naar de keuken en uiteindelijk in de bilge bij de voorhut. De boot ligt nogal naar voren.
Ruim een halve meter boven de waterlijn is een koppelstuk in de buis dat blijkbaar niet waterdicht is.
De vraag is natuurlijk hoe het water zo hoog heeft
kunnen komen; waarschijnlijk heeft de kielkast water geschept vlak voor het droogvallen dat omhoog wordt geperst. Mooi klusje voor de werf als we
in Cherbourg zijn om het weer waterdicht te maken. Maar we zijn wel dik twee uur bezig met dweilen, en het zoute water onder de kastjes kunnen we
niet bereiken. Gelukkig herhaalt het probleem zich 's nachts niet als we weer een keer droogvallen.
Vrijdag is het aan het einde van de middag weer hoog water. Gilbert gebruikt de ochtend om naar Chichester te fietsen, een wat grotere
plaats in de buurt. Chichester heeft onder andere een grote katedraal, gebouwd door de Noormannen na 1066. In de loop der eeuwen is het een
steeds groter complex geworden. De kerk is ook in recente tijden nog aangepast: er zijn kapelletjes gemaakt voor oorlogsveteranen, bij een
restauratie is er in 1978 een gebrandschilderd raam van Chagall geplaatst, en zo is er uit elke tijd wel wat. Chichester is verder een
winkelcentrum voor de regio. Elly heeft de tijd gebruikt om wat handwas te doen en wat op te ruimen.
We varen om vijf uur het stroomgat uit, er staat dan een ZZW wind precies tegen de stroom in. De boot stampt net zo mooi als in het Slijkgat
bij Stellendam. Eenmaal uit de geul kunnen we aan de wind richting Wight. Het lukt net niet om aan de wind richting Cowes te zeilen, dus we moeten
een paar keer steken. Onderweg varen we door de
De havens van Cowes waren vol vanwege Cowes week, dus we kiezen voor
een simpeler oplossing: we gaan voor anker onder de kust in Osborne Bay. Daar liggen we goed beschut voor de wind op vlak ondiep water. Het plekje
wordt aangeraden in de gidsjes, dus liggen er al een stuk of 10 boten als we aankomen. Maar er is ruimte zat, geen probleem. Over een groot gebied is
de bodem vlak, met ongeveer 2 meter water bij eb. Ideaal om te ankeren. Als we het anker ophalen blijkt het stevige modder te zijn, klei bijna.
We kijken net niet uit op het buitenhuis van koningin Victoria, maar de volgende ochtend kan dat alsnog op de foto.
Zoveel zeilboten hebben we nog nooit bij elkaar gezien. De plaats Cowes ziet er zo
vanaf het water wel leuk uit, gebouwd tegen een heuvel. Maar dat houden we voor een volgende reis deze kant op. Als we de haven voorbij zijn,
proberen we nog te zeilen. Maar er staat dan nog niet veel wind, en met de stroom gaan we netto achteruit. Weer motoren dus. Zelfs op de motor
halen we niet meer dan 5 knopen over de grond. Het kan goed stromen in de Solent.
We zijn op de motor wel vroeg in Yarmouth. We krijgen direct een plek toegewezen. Overigens is het om acht uur 's avonds nog steeds niet vol,
wellicht is het vol zijn ook wel een beetje marketing van de haven. We verkennen na aankomst Yarmouth nog even.
Het is een heel klein plaatsje met wat op de toeristen gerichte winkels. Er is een Deli winkeltje met lekkere warme gevulde broodjes en we doen nog wat boodschappen in de convenience store. Bij de Royal Solent Yacht Club (typisch Engels) drinken we een drankje op het terras.
We blijven twee dagen (drie nachten) in Yarmouth, om Wight een beetje te verkennen, en om te wachten op een goede wind voor de oversteek naar de Kanaaleilanden. Zondag nemen we de toeristen-dubbeldekker richting de Needles, het uiterste westen van Wight. Na een tussenstop bij Freshwater Bay (niet veel bijzonders), laten we ons afzetten bij
de forten op de west-punt van het eiland. De Engelse kust ligt echt vol met forten, gebouwd als verdediging tegen
met gebak in de tearoom met uitzicht op de Needles. Een beetje tot onze verbazing zien we een gestage stroom
de Fransen (vanaf 1400 tot Napoleon) en de Duitsers. We lopen een rondje bij de Needles Old Battery, maar echt lekker wandelweer is het daar niet: zonnig, maar 40 knopen wind, ofwel windkracht 8. Frisjes dus. We nemen koffie
zeilboten langskomen, ondanks de storm. Het is wel leuk om vooraf even te kunnen kijken hoe het er uitziet bij
de Needles, zodat we het al een beetje kennen als we dinsdag zelf de oversteek gaan doen. Met minder wind dan wel
natuurlijk.
Vanaf de Needles dalen we af via het wandelpad naar Needles Park; een groot parkeerterrein met eettentjes, souvenirwinkeltjes en kermisattracties. Daar is ook een stoeltjeslift waarmee je naar het strand van Alum Bay kunt,
maar echt lekker weer is het daar niet voor. We besluiten een stuk verder te lopen langs de kust over de Headon Warron, een heide/braam duinachtig gebied (het is wel kalk natuurlijk). De paarse heide in de zon maakt het mooi.
De stukjes uit de wind lijkt het net zomer. Bij Totland pakken we de bus weer richting de jachthaven.
Maandag pakken we de fietsjes om nog een rondje rond de rivier Yar te doen. Eigenlijk is het meer een kreek in een dalletje.
Aan het einde van de kreek is een goede supermarkt, de COOP in Totland, waar we boodschappen doen voor de komende week. 's Avonds eten we mosselen in Yarmouth.
Het waait dan al een stuk minder dan zondag, het ziet er goed uit voor de oversteek van morgen.
In Yarmouth liggen er naast ons nog twee boten, dus om 8 uur 's ochtends moeten zij eerst losmaken, voordat wij
er uit kunnen. Dat blijft lastig in jachthavens waar je rijen dik ligt. De buren nemen het goed op, en
met veel helpende handen zijn we om kwart over acht op de Solent. Tien minuten later zeilen we richting de Needles: een rif in het grootzeil, de volle genua. Het is geruststellend te zien dat we in een heel convooi boten varen met dezelfde
zeilvoering, blijkbaar schatten meer schippers het weer zo in.
Het komt allemaal heel mooi uit: we varen het hele stuk 50-70 graden aan de wind, met een grote boog naar Alderney.
We kunnen de bootsnelheid zo rond de 7 knopen houden. Voor de zeilers: 12.5 knoop wind, 60 graden schijnbaar, 7.5 knoop op de log met een rif;
bij 13.2 knoop wind en 47 graden 7.0 knoop. Over de grond levert dat soms ruim 8 op, soms krap 6.
Aan het einde van de middag passeren we
de scheepvaartroutes. We moeten een keer uitwijken, maar verder is het niet heel druk. Ook dat went: een paar
"kleine" vrachschepen, een grote sleepboot, een groot containerschip en vrijwel even groot cruiseschip op weg
naar Dover. In de folder heet dat vast "stop in Londen".
Bij Alderney blijkt dat we voldoende marge in de koers hebben: we kunnen onze boog netjes op het zeil afmaken.
Het laastste stuk sturen we 195 graden en varen we 165 graden. En dat is dan nog met een bootsnelheid van 7 knopen. Flinke stroom inderdaad. Vlak voor de haven draait de stroom zeer abrupt, en varen we met de vloed de baai van Alderney
in. Helaas ligt die al flink vol, de moorings achter de breakwater zijn allemaal bezet. We komen uit aan de
oostkant van de baai aan een grote gele bezoekersboei. Tevreden trekken we een biertje open.
Onze eerste nacht in de baai van Alderney is de onrustigste sinds we de boot hebben: we liggen wel uit de wind,
maar we liggen zo dicht bij de ingang van de baai, dat de deining dwars op de boot flink doorstaat. 'Subject to swell' heet dat in de vaargidsjes.
Bij elke golf trekt de boot aan de mooring, om dan abrupt te stoppen. Ik probeer de achterhut ook nog even uit, daar is het wel minder.
We worden beiden met een zwaar hoofd wakker. De volgende nacht leggen we een extra lijn van de middenbolder naar de mooring, waardoor de boot in elk geval veel minder klapt. Dan is de slaap weer ingehaald.
Woensdagmiddag nemen we de watertaxi naar Alderney (1.50 pond per persoon), met het voornemen om het eiland te gaan verkennen.
We lopen van de haven naar de oostpunt van het eiland. Het hele eiland staat vol met forten, Engelse forten uit de
19e eeuw, maar vooral ook Duitse bunkers uit de Tweede Wereldoorlog. Bijna elke baai is afgesloten met een anti-tank muur. De Duitsers hebben de Kanaaleilanden zwaar verdedigd, maar de Engelsen zagen ze als niet
strategisch. Er is dus nooit om gevochten. De bunkers zijn allemaal verlaten en in verval, maar sommige oude forten zijn nu in gebruik als hotel of zelfs woonhuis, dat is althans onze indruk.
We lopen langs een aantal baaitjes met stranden, waar mensen in wetsuits in het water spelen. Net als gisteren
is het zonnig, maar niet warm. Op weg naar de vuurtoren valt mijn oog op een oude spoorkraan, even kijken natuurlijk. Het lijkt een helemaal weggeroeste stoomkraan, bij een oude steengroeve (Mannez Quarry). Hij staat op een zijspoor van het toeristendieseltje dat zondagmiddag twee keer heen en weer gaat tussen de oostpunt en het stadje. Als we verder over het terrein struinen vinden we ook nog een rails van een miniatuurtrein, grotendeels overgroeid. Op internet nog te vinden in volle glorie op de site van
Het pad langs het spoortje voert langs heel veel bramen
naar de vuurtoren van Alderney, met gigantische misthoorns die van 1910 tot begin dit jaar zijn gebruikt.
Om 1500 pond per jaar aan energie te sparen is de vuurtoren intensiteit gehalveerd, en de hoorn uitgezet, aldus de
Donderdag is het ander weer: geen zon, veel wind (dik 20 knopen in ons baaitje, windkracht 6), genoeg voor de windgenerator om de accu vol te houden en mijn laptop op te laden.
Ik heb niet veel meer over de accu's geschreven de laatste tijd, omdat ze eigenlijk altijd vol zijn.
Of we nu zeilen, voor anker liggen of droogvallen, in praktijk is er of wind of we motoren af en toe
waardoor er altijd laadcapaciteit is.
Bij de overtocht naar Alderney kwamen we gewoon met volle accu's aan, terwijl de stuurautomaat echt bij elke golf bijstuurt.
En dat zijn heel wat golven.
Ik kan iedereen aanraden om een windgenerator te monteren. Het geeft wel geruis, maar de voordelen zijn veel groter.
Of veel zonnepanelen; wij hebben een 110 Watt paneel, dat alleen is niet voldoende voor de koelkast, navigatie en stuurautomaat.
Ook belangrijk is dat we in de boot alleen maar ledverlichting hebben. Deels hebben we de 1 Watt LED lampjes vervangen door 2.5 Watt LED lampjes. In de kajuit hebben we nu 6 lampjes van 2.5 Watt, en 8 van 1 Watt. 14 lichtpunten voor de stroom van 2 halogeenlampjes. De
Eenmaal de baai uit zijn we in elk geval gelijk het rollen kwijt; buiten is het een stuk comfortabeler dan voor anker. De wind is rustig, windkracht 3 à 4, niet helemaal tegen. Zouden we toch kunnen zeilen?
Eerst maar door het stroomgat tussen Alderney en Braye, één van de stroomgaten die in de Reeds een speciale waarschuwing krijgen. Met het rustige weer dat we hebben staat er wel 3 knopen stroom, maar is er verder niks bijzonders aan de hand. We passeren ook "Les Etacs", rotsen die helemaal vol met Jan van Genten (vogels) zitten. Op de foto is elk wit stipje een vogel. Het bovenste deel van de rots zit helemaal tjokvol met vogels. Blijkbaar is die specifieke rots erg aantrekkelijk voor ze.
Bij de haven van St. Peter Port in Guerney aangekomen worden we door de havenmeester naar het wachtponton verwezen. Daar wachten we bijna 3 uur; in die tijd stapelen de boten zich op naast, voor en achter ons.
Als er 2.5 meter water over de drempel van de haven staat, gaan de havenmeesters de boten één voor één een ligplaats wijzen.
Het is redelijk vol, ook wij krijgen weer een boot naast ons. We liggen in de Victoria haven, die alleen voor de toeristen is.
Na de lunch aan boord gaan we 's middags met de fietsjes op stap. Langs de kust naar het noorden, en dan een rondje binnenland.
Opvallend is dat Guernsey vrij dicht bebouwd is, in elk geval het stukje dat we fietsen. We bezoeken nog wat "toeristische attracties". Om vier uur heeft de zon het echt verloren en gaat het aardig doorregenen. Voldoende reden om terug te gaan naar de boot. Gelukkig is het niet echt koud.
Sark ligt op ca. 10 mijl van St. Peter Port. Het eiland heeft geen jachthavens, maar wel een aantal baaien. Net als bij Alderney is het lastig om een baai te vinden met redelijke deining. We kiezen voor de Dixcart Bay aan de oostkant; met de voorspelde westenwind moet dat goed gaan. De Shell Channel Pilot zegt over deze baai ".. can offer as quiet a night as you'll get, given suitable offshore conditions".
De baai is mooi, en veel wind is er niet, maar de deining weet ons wel te vinden. Net als in Alderney schommelen we heel wat af. Het is wel
een populaire baai. Als we aankomen liggen er 4 boten, halverwege de middag meer dan 20.
Het pad op Sark brengt ons gelijk in een hele andere wereld: een dalletje met een klein beekje en heel veel groen. Heel anders dan het kale eiland Alderney of de stad St. Peter Port.
Daarna de helling op om een foto te maken van de boot vanaf de klif.
Als we verder lopen komen we langs een jong aangeplante wijngaard, een luxe hotel, en terug langs een paar huizen in het dal. Na een klein uurtje staan we weer op het strand. Boot en bijbootje liggen er nog. Na een half uur drijft ons bootje weer. Terug roeien we, om te kijken of dat ook gaat. Zonder motor en benzine weegt het bootje minder dan de helft! Geen probleem, dus morgen gaan we zonder motor naar het strandje.
Maandag moeten we richting Cherbourg, maar dat kan pas om 4 uur. Ruim tijd dus om Sark te verkennen. We roeien de bijboot met hoog water naar
de kant, en laten het bootje weer achter op het strand. Dit keer aan de hoogwaterlijn; tegen dat we terugkomen is het laag water. We volgen de wandelpaden naar het stadje van Sark, een straat met toeristenwinkels. Er is ook een camping, en waarschijnlijk mede daarom is er toch nog aardig
wat te koop op het eiland. Bijzonder aan Sark is dat er geen auto's rijden, de gidsjes schetsen een beeld van een idyllisch eiland. Inderdaad is het ontbreken van auto's prettig, wat dat betreft straalt het zeker rust uit. Het is echter niet zo dat er geen 'techniek' wordt gebruikt; in plaats van auto's rijden de locals op trekkers. Die zijn bedoeld om het land te bewerken, maar ze worden ook als taxi gebruikt, en om voor de lunch
even naar huis te gaan. De huisarts heeft een trekker voor de deur staan, met een tuinstoel in een bakje, als ambulance denken we. Afgezien van het ontbreken van auto's is het verder een gewoon eiland, de huizen zijn niet speciaal mooi of stijlvol.
Sark heeft een bijzondere staatsvorm, het is een feodaal staatje dat valt onder de Engelse kroon. Het werd in 1565 door koningin Elizabeth gekoloniseerd, en sindsdien verhuurd aan een Seigneur voor 1.79 pond per jaar. De huidige Seigneur is Michael Beaumont, die in de Seigneurie woont, een kasteeltje met een grote bloemen- en groentetuin die je kunt bezoeken. Dat hebben we natuurlijk gedaan. Nog steeds gaat de Seigneur jaarlijks bij de boeren langs om de opbrengst te schatten; hij heeft recht op 1/13 deel en een levende kip per jaar. Er is verder geen inkomstenbelasting, maar ook geen sociaal stelsel. Een en ander volgens de Vaarwijzer "Het Kanaal", waarin Clemens Kok beschrijft hoe het systeem werkt. Het netto resultaat is een bijzonder eiland. Op de foto een beeld van de tuin en het kasteeltje van de Seigneur.
De Kanaaleilanden zijn in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers bezet. Op Sark hebben Duitse krijgsgevangenen na afloop van de oorlog een weg gemaakt tussen Sark en Little Sark. Het is een smal pad, breed genoeg voor een trekker of paard en wagen, over een klifrand. Spectaculair om te zien. Het moet veel werk zijn geweest voor veel mensen, er waren meer dan 250 Engelsen aanwezig voor het toezicht, volgens de gedenkplaat op de brug, genaamd 'La Coupeé'. We nemen vandaar het klifpad terug naar het boot strandje. Onderweg plukken we twee emmertjes bramen; uit de wind zijn de eerste bramen rijp.
Terug op het strand ligt het bootje bij de vloedlijn. Zeker honderd meter verder is de huidige waterlijn. De foto is vanaf de waterlijn naar het bootje. Gelukkig is het bootje zonder motor wel te dragen. We roeien terug naar de boot, en hijsen het bootje weer in de beugel. Even voor vier uur zetten we koers richting Cherbourg. We hijsen de zeilen, maar de tegenstroom die we het eerste stuk hebben is sterker dan de wind. Het wordt motoren naar Cherbourg. Maar dankzij de zeilen als steun halen we wel 8 knopen door het water, 5 over de grond is dat het eerste stukje. Een uur voor de Race van Alderney draait de stroom,
tussen Alderney en Cap Le Hague lopen we 12 knopen! Richting Cherbourg loopt de snelheid langzaam terug van 12 naar 10 knopen. Om kwart over negen 's avonds varen we de haven binnen. Het is dan aardig donker, we zoeken een mooie box uit in het rijtje van de werf
en leggen aan naast een splinternieuwe Allures 45.